Wat kom ik het veel tegen in pastorale gesprekken. \”Volwassen\” mensen, die het gevoel hebben niet alleen te kunnen staan. Soms vervallen in allerlei onzekerheden en verslavingen. Voor hen schreef ik het volgende stukje:

Zoekend naar jezelf en naar God. Naar Zijn roeping in jouw leven. Naar jouw wil, jouw echte wil. Verward in een doolhof van gevoelens, gebeurtenissen, feiten, mensen, afhankelijkheden en onzekerheden. Huilen, soms. Wachten op versterking en zekerheid.

Is het de relatie met je moeder, je vader? Wat vormt je jeugd je karakter. Wat hebben ouders voor invloed. Wat duurt het lang voor we zelfstandig zijn. Misschien wel tot onze ouders er niet meer zijn. Steeds kijken ze mee bij alles wat we doen. Onwillekeurig wachten we op een goedkeurend knikje. Wat niet komt. Zelden of nooit komt. We wéten wel, dat het niet hoeft, maar we wachten toch en worden boos. Nu niet en vroeger niet. Boos en verdrietig. We voelen ons afgewezen. Door onze eigen ouders. Die ons nota bene gewíld hebben. Hoe verlaat ik mijn moeder, zodat ik haar weer toe kan laten als medemens en niet meer als opvoeder?

Zit het in jezelf? Had ik verkeerde verlangens? Stel ik te hoge eisen? Hoe is dat zo gekomen? Voor God is toch het allerhoogste nog niet goed genoeg. Niet goed genoeg. Nooit goed genoeg. O zeker, van genade kun je leven. Maar ik ben nooit goed genoeg.

Zit het in gebeurtenissen. Of heb ik een bril van onzekerheid en afhankelijkheid op, die mij de feiten verkleurd doen zien. Ze zijn er wel, maar iedereen ziet ze anders en dat maakt me soms boos (ze zien het verkeerd) en soms angstig (zie ik het dan zo verkeerd?)

Was het de leider, die meer steun moest verlenen. Of ben ik alleen maar teleurgesteld van binnen omdat ik van buiten wel wist, dat hij die steun niet geven kon. Heb ik gewacht of zijn goedkeurend knikje, zijn aanmoediging om door te gaan.